Met een compleet hart God dienen.

,,Want des Heren ogen gaan over de gehele aarde, om krachtig bij te staan hen, wiens hart volkomen naar Hem uitgaat.’’ (2 Kronieken 16:9)

Onze jongste vertelt graag verhalen vanaf de achterbank van de auto of bespreekt dingen die hem dwars zitten. Eén van de verhalen was: ‘Weten jullie wel hoeveel ouders er gescheiden zijn van mijn klas?’ ‘Nee, dat weten we niet.’ ‘Meer dan 75 procent.’ ‘De meeste kinderen hebben nu stiefouders, ze doen of dit heel normaal is, en doen gewoon aardig tegen ze. Dit zou ik nooit doen hoor. Stel, dat jullie een nieuwe man of vrouw zouden krijgen, dan zou ik ze gewoon weg pesten. ‘Ze staan dan in de weg voor herstel tussen jullie.’ Ik glimlach. Onze vurige zoon, die rechtlijnig in het leven staat. Recht is recht en krom is krom. Daar strijdt hij voor. ‘Ik zou het als mijn missie zien, jullie weer samen te brengen,’ gaat hij verder. ‘Weet je wel hoe erg dat voor kinderen is, als hun ouders niet meer samen zijn?’

Ik glimlach. Onze vurige zoon, die rechtlijnig in het leven staat.

Ik moet eraan denken hoe puur dit is. God wil ons alleen voor Zichzelf. Wij moeten strijden, tegen alles wat dit in de weg staat. Hoeveel goden hebben we naast onze relatie met God? Een god van werk, van status, van pijn (veel mensen koesteren hun pijn of verleden) een god van zelfverheerlijking, van geld van bitterheid, van onvergevinggezindheid, van eigengerechtigheid, van oordeel?

Ontucht en zedeloosheid, in welke vorm dan ook, of hebzucht mogen bij u zelfs niet ter sprake komen – deze dingen horen niet bij heiligen. Efeziërs 5:3

Onze zoon weet, wanneer er eenmaal iemand anders in het spel zou zijn, het bijna onmogelijk is, om de relatie te laten herstellen. Hij zou er alles aan doen om die nieuwe relatie te laten eindigen. ‘Gewoon opzouten moeten ze,’ zei hij. Niet tussen mijn ouders gaan zitten.

Niemand kan twee heren dienen, want of hij zal de één haten en de ander liefhebben, of hij zal zich aan de één hechten en de ander minachten. U kunt niet God dienen en de mammon. (of welke god dan ook waar je hart op is) Matteüs 6:24 – HSV

Word als gehoorzame kinderen niet gelijkvormig aan de begeerten die er vroeger in de tijd van uw onwetendheid waren. Maar zoals Hij Die u geroepen heeft, heilig is, word zo ook zelf heilig in heel uw levenswandel, want er staat geschreven: Wees heilig, want Ik ben heilig. En als u Hem als Vader aanroept Die zonder aanzien des persoons naar ieders werk oordeelt, wandel dan in de vreze des Heeren, gedurende de tijd van uw vreemdelingschap, 1 Petrus 1: 14-18.

Laten we alles weg doen, wat onze relatie met God in de weg staat. We zijn zo vaak geneigd zonden te rechtvaardigen. ‘Ik kan gewoon niet vergeven, jij weet niet hoe dit voelt voor mij.’ ‘Er is mij zoveel aan gedaan, dat ik nu gewoon heel veel pijn moet verwerken.’ ‘Ik heb vroeger armoede gekend, dus ben nu gewoon niet goed in weggeven.’ Zoveel dingen die ons kunnen belemmeren om ons hele hart aan God over te geven.

Alles wat je belemmert of tot zonde kan verleiden, doe het weg. Jezus zei: ‘Indien uw hand of uw voet u tot zonde verleidt, houw hem af en werp hem weg. Het is beter voor u verminkt of kreupel ten leven in te gaan, dan met twee handen of twee voeten in het eeuwige vuur geworpen te worden. En indien uw oog u tot zonde verleidt, ruk het uit en werp het van u. Het is beter voor u met één oog ten leven in te gaan, dan met twee ogen in het hellevuur geworpen te worden.‘ Mattheüs 18:8-9.

Kaïn bracht net als Abel in Genesis 4 een offer. Het offer van Kaïn nam God niet aan. God wist dat Kaïn niet met een volledig hart offerde. Kaïn was woedend en liet zijn hoofd zakken. God zei: ‘Waarom bent u in woede ontstoken en waarom heeft u uw hoofd laten zakken? Is het niet zo dat u, als u het goede doet, uw hoofd kunt opheffen? Maar als u niet het goede doet, ligt de zonde aan de deur. Naar u gaat zijn (de zonden) begeerte uit, maar ú moet over hem (de zonden) heersen. Genesis 4:6-7

Wij zijn in staat om met de Heilige Geest over de zonden te heersen.

Vertrouw op de HEERE met heel je hart, en steun op je eigen inzicht niet. Ken Hem in al je wegen, dan zal Híj je paden rechtmaken. Wees niet wijs in je eigen ogen: vrees de HEERE en keer je af van het kwade. Het zal een medicijn zijn voor je navel en verfrissing voor je beenderen. Vereer de HEERE met je bezit, met de eerstelingen van heel je opbrengst, dan zullen je schuren gevuld worden met overvloeden, je perskuipen overlopen van nieuwe wijn.

Vertrouw op de Heer met je hele hart.

Laten we de Heer dienen met een hart volledig toegewijd aan Hem. Onverdeeld. Compleet.

Vraag de Heer of Hij aanwijst wat er in je hart leeft zoals in de psalmen gebeden word. ‘Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart, beproef mij en ken mijn gedachten. Zie of er bij mij een schadelijke weg een schadelijke weg – of: een weg van smart. is en leid mij op de eeuwige weg.‘ Psalm 139 :23-24

Amen.

Leven door het vlees, of door de Geest?

We zaten te eten toen ineens een jongetje aan tafel zei: ‘Mijn vader kijkt altijd naar andere vrouwen. (lachend) ‘Dat vind hij leuk.’ ‘Ik vind het ook wel grappig. ‘Zei hij. Een stilte viel aan tafel en we keken het jongetje aan. Vond hij het echt grappig? Het waren tenslotte andere vrouwen dan zijn moeder. Voorzichtig vroeg ik hem wat hij er dan grappig aan vond. Zijn antwoord was: ‘Ja, ik ga dat later denk ik ook doen. Maakt niets uit zei mijn vader.’ Er ging een steek door mijn hart. Een bewogenheid voor dit kind, wat al een boodschap mee kreeg van ontrouw. Een steek voor zijn moeder die dit moest accepteren. Onze jongste kwam met zijn conclusie ‘Ik denk niet dat jouw moeder dit leuk zal vinden!’ Puur uit zijn hart. Een jongen van tien destijds, kon zich niet voorstellen dat de moeder van dit kind het leuk zou vinden dat zijn vader naar andere vrouwen keek.

Een mooie les om ook in ons dagelijks leven te bedenken. Waar zijn we op gericht? Op dingen van het vlees? ‘Nou zeg, stel je niet zo aan! Dat doen mannen gewoon.’ Of over vrouwen… ‘Ja, vrouwen houden nu eenmaal van klagen.’ ‘Er woont in ons toch geen goed. We zijn nou eenmaal zo.’ In ons vlees woont inderdaad geen goed. Dan proberen we van alles goed te maken en lukt het niet.

De bijbel zegt dit: ‘Namelijk, zij die naar het vlees zijn, bedenken de dingen van het vlees, maar zij die naar de Geest zijn, de dingen van de Geest. Want het denken van het vlees is de dood, maar het denken van de Geest is leven en vrede.‘ Romeinen 8: 5-6

Alleen het leven naar de Geest brengt leven en vrede. Leven naar het vlees brengt de dood.

Jezus kwam in het vlees, zodat wij niet meer naar het vlees hoeven te leven.

‘Dit bedoel ik: wandelt door de Geest en voldoet niet aan het begeren van het vlees. Want het begeren van het vlees gaat in tegen de Geest en dat van de Geest tegen het vlees – want deze staan tegenover elkander – zodat jij niet doet wat jij maar wenst. Indien jij je echter door de Geest laat leiden, dan ben je niet onder de wet. Het is duidelijk, wat de werken van het vlees zijn: hoererij, onreinheid, losbandigheid, afgoderij, toverij, veten, twist, afgunst, uitbarstingen van toorn, zelfzucht, tweedracht, partijschappen, nijd, dronkenschap, brasserijen en dergelijke, waarvoor ik u waarschuw, zoals ik u gewaarschuwd heb, dat wie dergelijke dingen bedrijven, het Koninkrijk Gods niet zullen beërven.’ Galaten 5:16-21

Doordat God Zijn Zoon Jezus Christus naar de aarde zond in het vlees, hoeven wij niet meer naar het vlees te leven. Zijn vlees werd gekruisigd, zodat wij ons vlees kunnen kruisigen.

‘Dus is er nu geen verdoemenis voor hen die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest. Want de wet van de Geest van het leven in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt van de wet van de zonde en van de dood. Want wat voor de wet onmogelijk was, krachteloos als zij was door het vlees, dat heeft God gedaan: Hij heeft Zijn eigen Zoon gezonden in een gedaante gelijk aan het zondige vlees en dat omwille van de zonde, en de zonde veroordeeld in het vlees, opdat de rechtvaardige eis van de wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest.’ Romeinen 8:1-4

Wanneer we focussen op ons vlees: ‘Ik moet nog dit afleggen, ik mag dit niet. Ik moet dat nog wel. Ik moet letten op mijn woorden. Ik moet vriendelijk zijn, ik moet geduldig zijn. Oh ja ook nog nederig en geduldig. Dat zegt het woord van God. Dus dan moet ik dat ook doen. Helaas, we zullen falen. Ons vlees kan tijdelijk aardig zijn, geduldig als alles meezit, sommige mensen iets langer met een geduldiger karakter, maar uiteindelijk falen we. In Romeinen 7 lezen we dat Paulus dit ook zegt. ‘Ik ellendig mens, wie kan mij verlossen uit dit vlees van dood. Maar ik dank God voor Zijn zoon Jezus Christus!’ De wet kon het niet vervullen. Want wat voor de wet onmogelijk was, krachteloos als zij was door het vlees, dat heeft God gedaan: Hij heeft Zijn eigen Zoon gezonden in een gedaante gelijk aan het zondige vlees en dat omwille van de zonde, en de zonde veroordeeld in het vlees. (Rom.8:3) God zond Zijn Zoon om ons vrij te maken van de vloek van de wet. Die zei dat we niet konden voldoen aan de eis van die wet. De wet bracht dood. ‘Want ik weet dat in mij, dat is in mijn vlees, niets goeds woont.'(Rom.7:18)

‘Welnu, broeders, wij zijn aan het vlees niet verplicht om naar het vlees te leven. Want als u naar het vlees leeft, zult u sterven. Als u echter door de Geest de daden van het lichaam doodt, zult u leven.  Namelijk, zovelen als er door de Geest van God geleid worden, die zijn kinderen van God. Want u hebt niet de Geest van slavernij ontvangen, die opnieuw tot angst leidt, maar u hebt de Geest van aanneming tot kinderen ontvangen, door Wie wij roepen: Abba, Vader! De Geest Zelf getuigt met onze geest dat wij kinderen van God zijn.’ Romeinen 8:12-16

Jezus kwam in het vlees tot ons. Zijn vlees werd gekruisigd. Wanneer we in Hem zijn, leven wij niet meer. ‘Want wie Christus Jezus toebehoren, hebben het vlees met zijn hartstochten en begeerten gekruisigd.’ Galaten 5:24 Zijn vlees werd gekruisigd en stierf, zodat wij niet meer naar het vlees hoeven leven, maar naar de Geest. De wet laat ons zien dat we vanuit onze oude natuur het goede niet kunnen volbrengen. Maar wanneer we door de Geest wandelen, leven we niet meer in onze oude natuur. Die is gestorven aan het kruis met Christus. En begraven in de doop.

‘Ik ben met Christus gekruisigd; en niet meer ik leef, maar Christus leeft in mij; en voor zover ik nu in het vlees leef, leef ik door het geloof in de Zoon van God, Die mij heeft liefgehad en Zichzelf voor mij heeft overgegeven. Ik doe de genade van God niet teniet; want als er gerechtigheid door de wet zou zijn, dan was Christus tevergeefs gestorven.’ Galaten. 2: 20-21

Kinderen van God, hoe relaxed, is dit. We zijn gekruisigd met Christus. Leven naar de Geest. Ik leef niet meer zelf, waardoor ik mezelf kan richten op degene Die het leven gaf, Jezus Christus. Hij werd gekruisigd, werd begraven in het graf en stond op in nieuw leven.

Als we naar de Geest leven, dan zullen we geen vrucht meer voortbrengen van het vlees. Maar vruchten van de Geest. Ja, maar Paulus zei toch ook dat hij niet goeds kon doen? Klopt! In het vlees komt er niets van terecht. Maar! ‘De vrucht van de Geest is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid, zelfbeheersing. Tegen zodanige mensen is de wet niet. Want wie Christus Jezus toebehoren, hebben het vlees met zijn hartstochten en begeerten gekruisigd. Indien wij door de Geest leven, laten wij ook door de Geest het spoor houden.‘ Galaten 5:22-25

Wie nog denkt dat het niet uitmaakt om in het vlees te leven, ‘wij kunnen daar toch weinig aan doen?’ De bijbel zegt dat leven naar het vlees, vijandschap is tegen God. ‘Namelijk, het denken van het vlees is vijandschap tegen God. Het onderwerpt zich namelijk niet aan de wet van God, want het kan dat ook niet. En zij die in het vlees zijn, kunnen God niet behagen. Maar u bent niet in het vlees, maar in de Geest, wanneer althans de Geest van God in u woont. Maar als iemand de Geest van Christus niet heeft, die is niet van Hem. Als Christus echter in u is, dan is het lichaam wel dood vanwege de zonde, maar de geest is leven vanwege de gerechtigheid.‘ Romeinen 8:7-10.

‘Halleluja!! Dank U Heer, dat ik niet meer hoef te zwoegen tegen mijn oude natuur. Deze is gekruisigd met U, gestorven met U en weer opgestaan met U in nieuw leven toen ik onderging in het watergraf. Mijn vlees wil soms nog van alles, maar ik leef niet naar het vlees. Heer, laat me steeds zien, waar ik vrede en leven verlies, zodat ik mij meteen kan bekeren van mijn weg. Dank U Jezus dat U alles gedragen heeft aan het kruis en dat U riep: ‘Het is VOLBRACHT!’ Amen.’

Goedheid en Goedertierenheid volgen mij.

Zoals wel vaker, waren we laatst op de markt. We vroegen een ondernemer hoe het ging. Zijn antwoord was: ‘Ik mag niet klagen.’ ‘Ik mag niet klagen?’ was onze vraag. ‘Nee, het gaat goed, ik mag niet klagen.’ Een algemene zin die we allemaal weleens kunnen gebruiken. Niet klagen. Stel dat mensen denken dat het té goed met je gaat! ‘Ik mag niet klagen, dus doe ik het ook niet.’ zei hij.

Tegenover klagen staat lofprijzen. Ik prijs U omdat U mij altijd verzorgt. Omdat het mij aan NIETS ontbreekt, iedere dag voor mij uitgaat, met mij mee gaat.

David looft God in Psalm 23.

De HEERE is mijn Herder, mij ontbreekt niets. Hij doet mij neerliggen in grazige weiden, Hij leidt mij zachtjes naar stille wateren. Hij verkwikt mijn ziel.(Hij geeft me kracht.) Hij leidt mij in het spoor van de gerechtigheid, omwille van Zijn Naam. Hoe geweldig! Hij doet mij neerliggen, Hij leidt mij, Hij verkwikt mijn ziel of geeft me kracht zegt een andere bijbelvertaling.

Er ontbreekt niets.

Al ging ik ook door een dal vol schaduw van de dood, ik zou geen kwaad vrezen, want U bent met mij; Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij. En zelfs al gaan we door een donker dal, Hij gaat er mee doorheen. Ik hoef geen kwaad te vrezen want Hij is met mij.

Tegenover mijn vijanden geeft Hij mij te eten. En daar zalft Hij mijn hoofd met olie. U maakt voor mij de tafel gereed voor de ogen van mijn tegenstanders; U zalft mijn hoofd met olie, mijn beker vloeit over.

Ja, goedheid en goedertierenheid zullen mij volgen al de dagen van mijn leven. Ik zal in het huis van de HEERE blijven tot in lengte van dagen.

Wauw! Goedheid en goedertierenheid volgen mij. Heb je daar weleens over nagedacht als je weer aan het klagen was? Dat de Heer je Herder is en je volgt met Zijn goedheid? In welke situatie je ook zit. Je hoeft niet bang te zijn, want Hij is met je. Je kunt danken dat het je aan niets ontbreekt! Halleluja. Een houding van dankbaarheid naar de Herder. Naar je Schepper. Niets ontbreekt mij.

Dank U Vader dat U mijn Herder bent en mij altijd volgt met goedheid en goedertierenheid. Dat ik in Uw huis mag zijn tot in lengte van dagen. Dat mij NIETS ontbreekt, omdat U in alles zorg draagt en mij vervult met Uw vreugde. Dat Uw vreugde mijn kracht is en dat wanneer ik door het dal ga, U mee gaat en mij troost geeft en ik niet bang hoef te zijn. Dank U wel voor een overvloeiende beker. Voor een gezalfd hoofd. Amen.

Spreek één woord.

Er zijn zoveel problemen in de wereld. Ziekte in levens, fysiek of mentaal. We lopen massaal naar artsen, coaches, pastoraal medewerkers en elkaar. Steeds opnieuw worden de verhalen van pijn aan elkaar verteld. Het liefst laten we de pijn van onze ziel weten en hopen dat de ander dat ook even meevoelt. Naast ons gaat zitten en zegt: ‘Joh, wat verdrietig voor je. Wat moet het moeilijk voor je zijn. Ik kan me voorstellen hoe moeilijk dit voor je is.’ ‘Jezus is naast je hoor, Hij weet van je pijn en kent je nood.’ Mooie woorden toch? Fijn om onze ziel te strelen.

Jezus kwam nooit om de ziel te strelen. Hij kwam om te redden. Te redden wie verloren zijn.

Hij zette me vrij.

Er was een vrouw bij een put. Ze was een verworpen vrouw. Een Samaritaanse. Ze kwam in schaamte overdag, in de hitte, wanneer niemand kwam om water te putten. Jezus zat er al en vraagt haar water. Ze gaat eerst in verdediging. ‘U mag niet met mij praten. Ik ben een Samaritaanse en u een Jood. Jezus geeft haar de opdracht om haar man te halen. Ze antwoordt met: ‘Ik heb geen man.’ Jezus antwoorde haar: “Het klopt dat je zegt dat je geen man hebt. Want je hebt vijf mannen gehad, en met de man met wie je nu leeft, ben je niet getrouwd. Je hebt dus de waarheid gezegd.‘ Toen zei de vrouw: “Heer, ik zie dat U een profeet bent.” Johannes 4:17-19

De vrouw vraagt nog iets over aanbidden. Waar en hoe en Jezus geeft daar antwoord op en dan begint de vrouw te praten over de Messias die is beloofd.

 De vrouw zei tegen Hem: “Ik weet dat op een dag de Messias komt. (Hij wordt ook wel de Christus genoemd.) Als Hij er eenmaal is, zal Hij ons alles vertellen en uitleggen. Jezus antwoordde: ‘IK BEN dat,  Ik die nu met jou praat.’ Johannes 4:25-26

De vrouw rent terug naar de stad en verteld de mensen dat er Iemand precies verteld heeft wie ze was. ‘Dat moet de Messias wel zijn’ zei ze. Vele kwamen door haar getuigenis tot geloof.

Jezus sprak en ze geloofden. De vrouw werd in één keer vrijgezet van schuld en schaamte en was zo vol daarvan, dat ze terug rende naar de stad en er veel mensen door tot geloof kwamen.

Sommige mensen denken dat we moeten blijven terug keren naar oude pijnen om herstel te ontvangen. ( Ik ook lange tijd) Dan kunnen ze met je meeleven. ‘Oh, wat moet je eenzaam zijn geweest, dat je zoveel mannen hebt gehad. Wat moet jij je misbruikt hebben gevoeld. Wat zal je, je schamen voor de mensen om je heen. Wat zal je hart kapot zijn.’ Al kan het allemaal waar zijn, Jezus sprak dit soort woorden niet. Hij zei: “Als je wist wat God jou wil geven, en als je wist Wie hier aan jou om drinken vraagt, dan zou jij aan Hém om drinken hebben gevraagd. Dan zou Hij je vers water hebben gegeven.” Johannes 4: 10

‘Als je eens wist wie Ik Ben‘ zegt Hij… Als je dat eens wist. Dan zou je het Mij vragen.

Ik in jouw plaats.

Daarna kwam Jezus in Kapernaüm. Daar kwam een Romeinse hoofdman naar Hem toe.  Hij zei tegen Jezus: “Heer, mijn knecht ligt ziek thuis. Hij is verlamd en heeft erge pijn.”  Jezus zei tegen hem: “Ik zal komen en hem genezen.” Maar de hoofdman antwoordde: “Heer, ik ben het niet waard dat U in mijn huis komt. Maar U hoeft maar één woord te zeggen. Dan zal mijn knecht gezond worden. Want ik moet zelf ook gehoorzamen aan de mensen die boven mij staan en mij bevelen geven. En ik heb zelf soldaten aan wie ik bevelen geef. Als ik tegen de één zeg: ‘Ga!’ dan gaat hij. En als ik tegen een ander zeg: ‘Kom!’ dan komt hij. En als ik tegen mijn slaaf zeg: ‘Doe dit!’ dan doet hij het.” Een ander verhaal in Mattheüs 8. ” Jezus, ik geloof dat wanneer U een woord spreekt, hij genezen zal zijn! Het gebeurde wat deze man geloofde. En Jezus zei tegen de hoofdman: “Ga naar huis. Wat je gelooft, zal gebeuren.” En de knecht genas, precies op dat moment. (vers 13)

Op geloof werden de mensen genezen. Ze kwamen bij Hem. Hij openbaarde zich en ze geloofden.

Toen ik tot geloof kwam, werd me verteld dat er allerlei processen op gang kwamen nu. Genezingsprocessen van mijn hart en soms van mijn lichaam. Wanneer ik het woord lees, kan ik dat niet terug vinden. Jezus openbaarde zich volledig. En ze genazen. Ik heb bij coaches gelopen, enorm veel gelezen en gesprekken gevoerd. Het hielp me om te gaan met dingen op gevoel(ziel)niveau. Tot er een moment was, dat een broeder woorden van kennis sprak. Op dat moment leefde ik onder schuld en schaamte, waardoor ik het dorp niet eens meer in durfde om boodschappen te doen. Er waren dingen uitgesproken waardoor ik nog meer in schuld en schaamte verdween. Er kwam een woord van deze broeder van de Heer en het zette me in één keer vrij. Op datzelfde moment ruilt Jezus het kapotte in. Mijn zwakte werd geruild voor Zijn kracht. Hij zette me vrij van schaamte en gaf er vrijmoedigheid voor terug. Net als bij de vrouw bij de put, ren ik de mensen tegemoet. ‘HE! Weet je wie Jezus Christus is? Hij zette me vrij. Met één woord!’

Dank U Jezus dat U bent die U zegt dat U bent. De Weg, de Waarheid en het Leven. Dat ik door U tot de Vader mag komen. Dat U het begin en einde bent. Speek Heer.. Eén woord. Amen.

Mijn hart komt tot rust bij God.

Onrustig is mijn hart.

Wanneer ik in de wereld kijk met het nieuws over lockdowns, de toenemende druk op de zorg of wanneer ik lees over wel of geen prik. Ik lees over de schuldvraag van de oplopende ziektecijfers, de terugkerende vragen over of ze mensen zullen uitsluiten. Het uitsluiten dat nu al gebeurd, voor mensen die geen prik willen, zich willen laten testen of een herstelbewijs kunnen laten zien, dan word ik onrustig in mijn hart. Wanneer ik dit beschrijf wordt mijn hart ter plekke onrustig.

Verschillende verhalen komen er voorbij van mensen. Ik vertel er een paar…

Ik spreek een man. Hij vertelt mij dat hij eindelijk zijn leven op de rails krijgt na veel jaren. Door gezond te eten en te sporten. Hij kan nu stoppen met zijn insuline spuit en zijn suikerniveau is op peil. Dolgelukkig is hij, dat zijn gezondheid zo vooruit is gegaan. Hij heeft nog geen eigen huis, maar geniet van de dingen die hij meemaakt in het opvanghuis. Dan komt het moment dat hij niet meer naar die sportschool mag. Hij moet een code laten zien, en die heeft hij niet. Zijn vrijheid wordt beroofd. Eindelijk was hij gezond bezig en de overheid heeft nu iets bedacht waardoor hij wordt beperkt in zijn vrijheid. Omdat hij een code mist en hij niet kan ‘bewijzen’ dat hij gezond is. Zijn natuurlijke vrijheid wordt ingeperkt. Hij vertelde mij, erover na te denken om het virus expres ergens op te willen lopen. Dan kan hij de code krijgen en heeft hij voor even in elk geval, zijn vrijheid terug. Onrust in zijn hart.

Ik spreek een vrouw. Ze houdt van haar vrijheid, die bestaat uit dagjes uit, een kopje koffie hier en een appelgebakje daar. Ze is haar vrijheid kwijt. Ze kan op de meeste plekken niet meer naar binnen. Ze heeft geen code om te laten zien dat ze gezond is. Zelfs op veel christelijke evenementen wordt die code gevraagd. Haar wereld stort in. ‘Hoe moet ik nu nog genieten van het leven als ik word ingeperkt in wat ik wil? Moet ik dan toch maar doen wat ze van me vragen? Een prikje halen, al wil ik dat zelf niet? Dan heb ik mijn vrijheid weer terug.’ Zijn haar gedachten.

Ik spreek een man. Hij vindt niet, dat mensen worden beperkt in hun vrijheid door de maatregelen. Hij vindt juist dat de mensen zelf een keuze hebben. Er alleen gevolgen zijn aan hun keuze. Wil je een code? Dan moet je een prikje of een testje halen of bewijzen dat je genezen bent. Wil je dat niet, dan is het gevolg dat je er niet in mag. Allemaal goede redenen, om de bewegingsvrijheid van die ander, die er wel voor heeft gekozen een code te krijgen, in stand te houden, is zijn mening. Het raakt hem niet persoonlijk. Hij heeft zijn prik gehad en kan doen en laten wat hij wil. Alleen voor zijn kinderen maakt hij zich zorgen. Wat zal voor hen de toekomst zijn?

Weer een ander, waaronder ook de overheid, vindt dat er een groep de schuldige is van de druk op de zorg. Dit zijn dan de mensen die geen prikje hebben gehad. Zij zijn de schuldigen van ‘hun’ nu ingeperkte vrijheid.  Die overheid die over ons gesteld is. Die rust en kalmte zou moeten kunnen brengen. Brengen een ‘schuldige.’

Allemaal verhalen van onrust, onveiligheid en machteloosheid.

Dan lees ik een ander verhaal, het verhaal van Daniël. Daniël was een man van God. Hij diende de Heer en de koning. Hij gaf de koning respect. Hij regeerde zelfs mee met de koning. De twee andere mederegeerders wisten dat Daniël een slimme man was en een streepje voor had bij de koning. Ze zochten een manier om hem te pakken, omdat ze jaloers waren. Op geen enkele fout konden ze hem betrappen. Hij deed alles goed. Op een dag hadden ze iets slims bedacht. Daniël bad altijd drie keer per dag tot God en deed dat met een open raam. Ze bedachten een goed plan. Het gaat zo: ‘We vragen de koning een wet te ondertekenen, die zegt, dat niemand een vraag mag stellen aan een mens of een god. Alleen aan de koning mogen vragen worden gesteld.’ Dus alleen aan koning Darius mochten ze een vraag stellen. Koning Darius gaat hiermee akkoord. Dat dit enorme gevolgen voor Daniël zou hebben, vergat hij blijkbaar. Het gevolg voor een overtreding van dit verbod, zou de leeuwenkuil zijn. 

Daniël hoort deze nieuwe wet en gaat naar zijn huis. Normaal ging hij bij het geopende raam God aanbidden. Mensen konden dat zien en horen. Daniël zal nu wel ergens in zijn kelder gaan bidden, uit angst voor de dood, of uit angst om van zijn vrijheid te worden beroofd. Uit angst voor zijn positie bij de koning, zijn goede baan. Hij zat aan de top! Dan heb je nogal wat te verliezen toch? Nee, er staat iets anders. ‘Toen Daniël van de nieuwe wet had gehoord, ging hij naar huis. De ramen van de bovenkamer van zijn huis waren open en keken in de richting van Jeruzalem. Drie keer per dag knielde hij daar neer. Dan bad hij tot zijn God en prees hij Hem. Dat deed hij nu ook, net zoals daarvoor.  De bestuurders gingen met elkaar naar zijn huis en hoorden daar hoe Daniël tot zijn God aan het bidden was.‘(Daniël 6:11-12) 

Ha, mooi. Ze konden hem gaan verraden. Heerlijk, hun positie zou beter worden en Daniël kon het veld ruimen. Lekker geregeld mannen. Met een euforisch (stel ik me zo voor) gevoel gingen ze naar de koning. 
‘Ze gingen onmiddellijk naar de koning en zeiden tegen hem: “U heeft toch een wet ondertekend dat de komende 30 dagen niemand iets aan een mens of een god mag vragen, maar alleen aan u? En u heeft toch bevolen dat iemand die dat toch doet, in de leeuwenkuil moet worden gegooid?” De koning antwoordde: “Ja, en die wet staat vast. Want elke wet van de Meden en Perzen staat vast en kan niet meer veranderd worden.” Toen zeiden ze: “Mijn heer de koning, Daniël, één van de mannen die als gevangene uit Juda hierheen is gebracht, trekt zich niets van u aan. Hij heeft zich niets van uw wet aangetrokken. Drie keer per dag bidt hij tot zijn God.” (Daniël 6:13-14) Met het verraad degraderen ze Daniël van mederegeerder naar een man die als gevangene in Juda is gebracht.

In plaats dat de koning blij was dat er iemand gepakt werd die zijn wet overtrad, werd hij verdrietig. Hij wilde Daniël koste wat het kost redden, maar de bestuurders kwamen hem even aan de wet herinneren. ‘Koning, u moet zich aan uw wet houden.’ 
Toen gaf de koning het bevel Daniël te laten halen. En ze gooiden Daniël in de leeuwenkuil. De koning zei tegen hem: “Ik hoop dat de God die jij zo trouw dient, je zal redden!”
Wauw, de koning hoopte zelfs dat Daniël gered zou worden. Die avond at de koning niet en liet zich niet vermaken.
Hij was verdrietig. De volgende ochtend rende de koning naar de kuil en vroeg: Daniël, je hebt zó trouw de levende God gediend! Heeft jouw God je van de leeuwen kunnen redden?”  Bijzonder dat dit in de koning was opgekomen. Waarom zou je geloven dat God kan redden van de leeuwen? Daniël leefde en zei: “Mijn heer de koning, leef in eeuwigheid!  Mijn God heeft zijn engel gestuurd. Die heeft ervoor gezorgd dat de leeuwen mij niets konden doen. Want God weet dat ik onschuldig ben. Ook tegen u, mijn heer de koning, heb ik niets verkeerds gedaan.” (Daniël 6:23)  

Halleluja! God heeft ervoor gezorgd dat de leeuwen hem niets konden doen! 
Daniël had ontzag voor de Koning. Hij diende hem met respect. Maar zijn vertrouwen op de levende God en ontzag was groter. Hij bleef doen wat hij altijd deed: God aanbidden. Niet stiekem weggedoken in een ondergrondse maar gewoon voor zijn open raam, als altijd. 
Hij bleef eerbied hebben voor de koning. Een les voor ons. Eerbied voor degenen die over ons zijn gesteld. Alleen kunnen we niet in alles mee. En moeten we God meer gehoorzaam zijn en Hem aanbidden en de mensen zien en helpen in hun nood. 

Ik hef mijn hoofd op naar mijn Schepper en weet dat daar rust te vinden is. We moeten niet bezig zijn met de dingen van de wereld en alles wat voorbij gaat. De wereld met haar begeerte gaat voorbij, maar wie Gods wil doet, blijft tot in eeuwigheid. 1 Joh.2:17

Jezus zei dat we ons nergens zorgen om hoefden te maken. Laten we ons voeden met het Woord over hoe God voor ons zorgt, hoe we de vogels te boven gaan. Of voeden we ons zelf met de onrust van de wereld? Soms heb ik de neiging dat laatste te doen. Het geeft me een schijnveiligheid van controle. Het tegendeel is waar. Alleen maar onrustiger wordt mijn hart.

Bij God vinden we rust. David sprak ook tot zijn ziel: ‘Wat ben je bedroefd, mijn ziel, en onrustig in mij. Vestig je hoop op God, eens zal ik Hem weer loven,
mijn God, die mij ziet en redt.’ Psalm 42:12

Wie in de beschutting van de Allerhoogste woont
en overnacht in de schaduw van de Ontzagwekkende,
zegt tegen de HEER: ‘Mijn toevlucht, mijn vesting,
mijn God, op U vertrouw ik.
’ Psalm 91:1-2

Proef en geniet de goedheid van de HEER,
gelukkig de mens die bij Hem schuilt.
Psalm 34:9

Wanneer we naar de omstandigheden kijken wordt ons hart onrustig.. Totdat het rust vindt bij GOD!

Gebed: Dank U wel, dat ik bij U rust kan vinden. Dat ik bij U beschutting vind. Dank U dat U boven alles regeert. Dat U de Koning der Koningen bent en de Heer der heren. Dank U voor dat ik op U mag vertrouwen. Ik stel mijn hoop steeds op U. Amen.

Wees niet ongerust, maar vertrouw op God en op Mij. Joh 4:1

Bezorgdheid maakt een mens neerslachtig, een hartelijk woord beurt hem op. Spreuken 12:25